Passé composé
Oefen de Passé composéWanneer
Meestal een gebeurtenis in het verleden die je als afgerond ziet. Hier, j'ai vu un film. (Gisteren heb ik een film gezien.) Ook voor iets uit het verleden met een gevolg nu: J'ai perdu mes clés. (Ik ben mijn sleutels kwijt.)
Zo maak je het
Avoir of être in de présent + voltooid deelwoord (parlé, fini, vendu).
Valkuilen
- Net als in het Nederlands kies je tussen hebben (avoir) en zijn (être), maar niet altijd hetzelfde. Ik heb gelopen, maar je suis allé. Een handige vuistregel: être hoort bij een vaste lijst werkwoorden die meestal een verplaatsing of verandering uitdrukken (aller, venir, partir, arriver, entrer, sortir, monter, descendre, tomber, naître, mourir, rester, devenir, retourner, rentrer, passer, en samenstellingen zoals revenir) en bij alle wederkerende werkwoorden (je me suis levé). Niet elk werkwoord van beweging hoort erbij: j'ai marché, j'ai couru.
- Let op: monter, descendre, sortir, rentrer, retourner en passer krijgen avoir als er een lijdend voorwerp volgt: je suis sorti, maar j'ai sorti la poubelle (ik heb de vuilnisbak buitengezet).
- Met être past het deelwoord zich aan het onderwerp aan: elle est allée, ils sont partis.
- Het Frans gebruikt de passé composé ook waar wij de onvoltooid verleden tijd gebruiken: Hier, j'ai mangé une pizza is "Gisteren at ik een pizza".
Klopt er iets niet in deze uitleg? Mail ons op info@verbverb.com.
Voorbeelden
parler
| j' | ai parlé |
|---|---|
| tu | as parlé |
| il/elle/on | a parlé |
| nous | avons parlé |
| vous | avez parlé |
| ils/elles | ont parlé |
aller
| je | suis allé |
|---|---|
| tu | es allé |
| il/elle/on | est allé |
| nous | sommes allés |
| vous | êtes allé |
| ils/elles | sont allés |
Na être past het deelwoord zich aan het onderwerp aan: allée, allés, allées.