Naar de inhoud
verbverb
Ik leerFrans
  • Frans
  • Duits
  • SpaansBinnenkort
  • NederlandsBinnenkort
  • EngelsBinnenkort

Passé composé

Oefen de Passé composé

Wanneer

Meestal een gebeurtenis in het verleden die je als afgerond ziet. Hier, j'ai vu un film. (Gisteren heb ik een film gezien.) Ook voor iets uit het verleden met een gevolg nu: J'ai perdu mes clés. (Ik ben mijn sleutels kwijt.)

Zo maak je het

Avoir of être in de présent + voltooid deelwoord (parlé, fini, vendu).

Valkuilen

  • Net als in het Nederlands kies je tussen hebben (avoir) en zijn (être), maar niet altijd hetzelfde. Ik heb gelopen, maar je suis allé. Een handige vuistregel: être hoort bij een vaste lijst werkwoorden die meestal een verplaatsing of verandering uitdrukken (aller, venir, partir, arriver, entrer, sortir, monter, descendre, tomber, naître, mourir, rester, devenir, retourner, rentrer, passer, en samenstellingen zoals revenir) en bij alle wederkerende werkwoorden (je me suis levé). Niet elk werkwoord van beweging hoort erbij: j'ai marché, j'ai couru.
  • Let op: monter, descendre, sortir, rentrer, retourner en passer krijgen avoir als er een lijdend voorwerp volgt: je suis sorti, maar j'ai sorti la poubelle (ik heb de vuilnisbak buitengezet).
  • Met être past het deelwoord zich aan het onderwerp aan: elle est allée, ils sont partis.
  • Het Frans gebruikt de passé composé ook waar wij de onvoltooid verleden tijd gebruiken: Hier, j'ai mangé une pizza is "Gisteren at ik een pizza".

Klopt er iets niet in deze uitleg? Mail ons op info@verbverb.com.

Voorbeelden

parler

j'ai parlé
tuas parlé
il/elle/ona parlé
nousavons parlé
vousavez parlé
ils/ellesont parlé

aller

jesuis allé
tues allé
il/elle/onest allé
noussommes allés
vousêtes allé
ils/ellessont allés

Na être past het deelwoord zich aan het onderwerp aan: allée, allés, allées.