Präteritum
Oefen de PräteritumWanneer
Vooral in geschreven verhalen en berichten over het verleden. In gesproken taal gebruik je bij de meeste werkwoorden het Perfekt, maar bij sein, haben, werden en de modale werkwoorden juist vaak het Präteritum: Ich war müde. (Ik was moe.) Wir mussten warten. (We moesten wachten.)
Zo maak je het
- Zwakke werkwoorden: stam + te, test, te, ten, tet, ten (ich machte, du machtest).
- Sterke werkwoorden krijgen een andere klinker en bij ich en er/sie/es geen uitgang: gehen → ich ging, du gingst, er ging, wir gingen.
- Gemengde werkwoorden doen allebei: andere klinker én -te. denken → ich dachte, bringen → ich brachte, wissen → ich wusste.
Valkuilen
- Ich en er/sie/es hebben altijd dezelfde vorm: ich war, er war; ich ging, er ging.
- Bij een stam op -d of -t komt er een e tussen: ich arbeitete, er wartete.
- Welke klinker een sterk werkwoord krijgt, moet je leren. Hij lijkt vaak op het Nederlands (ich gab, ik gaf), maar niet altijd (ich ging, ik ging; ich fuhr, ik reed).
Klopt er iets niet in deze uitleg? Mail ons op info@verbverb.com.
Voorbeelden
machen
| ich | machte |
|---|---|
| du | machtest |
| er/sie/es | machte |
| wir | machten |
| ihr | machtet |
| sie/Sie | machten |
sprechen
| ich | sprach |
|---|---|
| du | sprachst |
| er/sie/es | sprach |
| wir | sprachen |
| ihr | spracht |
| sie/Sie | sprachen |