Naar de inhoud
verbverb
Ik leerDuits
  • Frans
  • Duits
  • SpaansBinnenkort
  • NederlandsBinnenkort
  • EngelsBinnenkort

Futur I

Oefen de Futur I

Wanneer

Wat in de toekomst gebeurt, vooral als je iets voorspelt of belooft, of als niet uit de zin blijkt dat het om later gaat. Es wird regnen. (Het gaat regenen.) Ook voor een vermoeden: Er wird wohl krank sein. (Hij zal wel ziek zijn.)

Zo maak je het

werden in de Präsens + infinitief: ich werde, du wirst, er wird, wir werden, ihr werdet, sie werden + machen.

Valkuilen

  • Het hulpwerkwoord is werden, niet wollen. Ich will gehen betekent "ik wil gaan", niet "ik zal gaan".
  • Staat er al een tijdsaanduiding in de zin, dan gebruikt het Duits meestal gewoon de Präsens: Morgen gehe ich ins Kino.
  • Let op du wirst en er wird: hier verandert de klinker.

Klopt er iets niet in deze uitleg? Mail ons op info@verbverb.com.

Voorbeelden

machen

ichwerde machen
duwirst machen
er/sie/eswird machen
wirwerden machen
ihrwerdet machen
sie/Siewerden machen

sprechen

ichwerde sprechen
duwirst sprechen
er/sie/eswird sprechen
wirwerden sprechen
ihrwerdet sprechen
sie/Siewerden sprechen