Futur I
Oefen de Futur IWanneer
Wat in de toekomst gebeurt, vooral als je iets voorspelt of belooft, of als niet uit de zin blijkt dat het om later gaat. Es wird regnen. (Het gaat regenen.) Ook voor een vermoeden: Er wird wohl krank sein. (Hij zal wel ziek zijn.)
Zo maak je het
werden in de Präsens + infinitief: ich werde, du wirst, er wird, wir werden, ihr werdet, sie werden + machen.
Valkuilen
- Het hulpwerkwoord is werden, niet wollen. Ich will gehen betekent "ik wil gaan", niet "ik zal gaan".
- Staat er al een tijdsaanduiding in de zin, dan gebruikt het Duits meestal gewoon de Präsens: Morgen gehe ich ins Kino.
- Let op du wirst en er wird: hier verandert de klinker.
Klopt er iets niet in deze uitleg? Mail ons op info@verbverb.com.
Voorbeelden
machen
| ich | werde machen |
|---|---|
| du | wirst machen |
| er/sie/es | wird machen |
| wir | werden machen |
| ihr | werdet machen |
| sie/Sie | werden machen |
sprechen
| ich | werde sprechen |
|---|---|
| du | wirst sprechen |
| er/sie/es | wird sprechen |
| wir | werden sprechen |
| ihr | werdet sprechen |
| sie/Sie | werden sprechen |